Beperking, gehandicapt, invalide, arbeidsbijzonderheid: hoe noem ik mensen met een beperking?

Beperking, gehandicapt, invalide, arbeidsbijzonderheid: er zijn veel termen om mensen met een beperking te beschrijven. Hier zijn vier tips zodat jij de juiste woorden kunt kiezen, ongeacht de situatie:

Gebruik geen invalide of mindervalide.

Het woord “”valide”” betekent waardig of geldig. Invalide of mindervalide betekent dus letterlijk dat iemand niet waardig of geldig is. Ze zijn verouderd en stigmatiserend. Het beste is om deze termen te vermijden.

Een beperking heb je. Een handicap ervaar je. Of andersom.

Een beperking is een lichamelijk of mentaal kenmerk. Een handicap ontstaat in de wisselwerking met de omgeving.
Voorbeeld: ik heb een beperking omdat ik in een rolstoel zit, ik voel me gehandicapt als ik het kantoor niet in kan omdat er alleen een trap is.
Voor sommige mensen is dit omgedraaid. Het beste is om te vragen of iemand een voorkeur heeft voor een van de twee termen.

Person-first of identity-first: wat past bij jou?

Person-first language benadrukt de persoon. Mensen die deze voorkeur hebben vinden het belangrijk te benoemen dat ze mens zijn, omdat de samenleving hen vaak reduceert tot hun beperking. Door de persoon voorop te stellen, corrigeren ze die automatische associatie.
Voorbeeld: persoon in een rolstoel.
Identity-first language benadrukt de beperking als onderdeel van de identiteit. Voorbeeld: doof persoon of autistische persoon. Vraag aan iemand wat zijn voorkeur is.

Wees je bewust van eufemismen en waarom je ze gebruikt.

Eufemismen zoals “”arbeidsbijzonderheid”” of “”mensen met een rugzakje”” worden vaak gebruikt om een positieve draai te geven aan het woord beperking. Ze leggen iets pijnlijks bloot: het hebben van een beperking wordt als afwijking gezien en het praten erover is ongemakkelijk. Als je eufemismen gebruikt is het goed om na te gaan waarom je dat doet en wat het je brengt.

Mijn voorkeur? Ik heb een beperking. Maar bovenal ben ik gewoon Maarten.