Misschien voelde ze zich bezwaard door onze eerdere interactie. Een paar minuten daarvoor had ik haar gevraagd of ze de tomatensap van de bovenste plank wilde pakken. Ze keek me aan, mompelde iets, en ging verder met het bijvullen van het wc-papier. Nu stond ze ineens naast me, bij de zelfscan.
“Heb je hulp nodig?” vroeg ze.
Ik was opgestaan uit mijn rolstoel om mijn boodschappen te scannen en draaide me naar haar toe. “Nee hoor, maar bedankt voor het aanbieden.”
“Ik blijf toch even bij je staan, hoor. Straks val je.” Ik keek haar aan, met een pak spaghetti in mijn hand, lachte vriendelijk en zei: “Dat hoeft niet hoor. Het scannen gaat prima zelf, het is niet de eerste keer dat ik boodschappen doe.”
Op het moment dat ik verder wilde gaan met het scannen van mijn boodschappen, wenkte ze haar collega. “Kun jij deze meneer even helpen?” vroeg ze. De collega keek me aan: “Heeft u hulp nodig, meneer?” Ik antwoordde dat dat niet nodig was en er wel uit zou komen. Ze knikte en draaide zich naar haar collega: “Hij zegt dat hij geen hulp nodig heeft,” en liep weg.
De rust is wedergekeerd, dacht ik, en ik ging verder met het scannen van mijn boodschappen. Ik kon haar niet overtuigen dat ik toch echt zelf een fles tomatensap en een pak spaghetti kon afrekenen. En blijkbaar kon haar collega dat ook niet. Stoïcijns bleef ze staan, en ik scande onder haar supervisie mijn boodschappen.
Mensen met een beperking hebben soms hulp nodig. Ik heb soms hulp nodig. En ik weet goed wanneer dat moment is, wat ik zelf kan en wat niet. Hulp aanbieden is fijn. Hulp opdringen is dat niet, ook niet als je intentie goedbedoeld is.
